Een beetje afscheid

“Het is een fantastische teamprestatie geweest dat we vanuit het niets een zelfstandig behandelcentrum hebben opgezet waar we deze complexe behandeling veilig en met hoge kwaliteit aanbieden”, vertelt Stijn Krol die vanaf het eerste begin betrokken bij protonentherapie in Nederland.

Stijn werkt al jaren als radiotherapeut-oncoloog in het LUMC als hij in 2009 gevraagd wordt mee te schrijven aan het rapport van de Gezondheidsraad over protonentherapie; een advies aan de minister van VWS over de toenmalige stand van de wetenschap en de mogelijke introductie van protonentherapie in Nederland.

Die introductie volg. In 2013 geeft de minister 4 vergunningen voor protonencentra af en kan de bouw van HollandPTC, de samenwerking tussen het Erasmus MC, LUMC en de TU Delft, starten. “De TU Delft was in die tijd de drijvende kracht, met projectleider Gerda Lourens die diverse teams samenstelde. Er kwam een bouw team, een apparaten team en samen met radiotherapeut-oncoloog Joost Nuyttens van het Erasmus MC werd ik toegevoegd aan het klinische team. Alles moest nog uitgedacht worden, hoe gaat het centrum eruit zien, hoe gaat de logistiek van de patiëntverwijzingen en hoe regelen we de planvergelijkingen in de praktijk. Dat we met planvergelijkingen gingen werken, was al vastgelegd in het rapport van de Gezondheidsraad uit 2009.”

Bouwen aan iets dat nog niet bestond

Wat begon met een halve dag in de week en groeide naar 4 dagen HollandPTC. “Ik werkte toen nog 1 dag per week in Leiden, de rest van de tijd in Delft. We moesten de verschillende zorglijnen opzetten, ik heb de eerste artsen en MBB’ers aangenomen en we gingen op werkbezoek bij andere protonencentra in Europa en Amerika. We hebben in een paar jaar tijd een geheel nieuw en zelfstandig behandelcentrum opgezet. We hoefden natuurlijk niet vanaf nul te beginnen, want je gebruikt de expertise uit je netwerk en we werkten met een bevlogen team van pioniers, maar het was wel een zeer veelomvattend project. Het ging natuurlijk ook om een voor Nederland compleet nieuwe vorm van radiotherapie. De behandeling van de eerste patiënt vonden we daarom ook echt wel spannend.”

 

 

Goede patiënttevredenheid

Een nieuw centrum, een nieuwe behandeling, een patiënt die vanuit een vertrouwd centrum komt, artsen die in en uitvliegen. “Hier moesten we echt wat mee,” vertelt Stijn. “Er was een verbindende schakel nodig om die patiënt goed te begeleiden. Waar ik trots op ben is dat we dat hebben kunnen regelen met de verpleegkundigen. Zij zijn vast aanspreekpunt voor de patiënt en zorgen voor de continuïteit. Dit hebben we samen met de logistieke experts van de TU Delft uitgedacht, een leuk traject om samen te doen. En ik geloof dat het werkt, dat de hoge patiënttevredenheid van HollandPTC voor een deel komt door die altijd beschikbare verpleegkundigen en de goede zorg die zij geven.”

Weg en weer terug

“Ik hou ervan nieuwe dingen op te zetten, dus toen HollandPTC begon te lopen, ben ik weer meer in Leiden gaan werken. Wel bleef ik 1 dag per week gedetacheerd en zag in HollandPTC vooral chordoompatiënten. Ik heb ook nog een uitstapje gemaakt naar het AvL en niet lang nadat ik terugkeerde naar Leiden, kwam vanuit HollandPTC de vraag of ik hoofd medische staf wilde worden, om rust te brengen in de groep. Dat heb ik gedaan, min of meer als interimmer met nog een paar jaar te gaan tot mijn pensioen. Nu waren mijn taken omgedraaid, zag ik in Leiden alleen patiënten en deed ik in HollandPTC juist alle regelzaken. Twee werkplekken is niet altijd makkelijk, met dubbele mail, agenda’s en afspraken, maar ik heb het altijd heel leuk gevonden.”

Nog geen afscheid van protonen

Na ruim 15 jaar en bijna met pensioen nam Stijn nog altijd geen afscheid van protonen. Het stokje van hoofd medisch staf droeg hij officieel begin 2026 over, maar hij blijft gedetacheerd en werd lid van het bestuur van de HollandPTC Foundation. “Daar hebben ze me knap voor weten te strikken! Nee, ik vind het mooi om toch nog betrokken te blijven bij protonentherapie, mijn kennis in te kunnen zetten en de ontwikkelingen in het wetenschappelijk onderzoek te blijven volgen.”